Tellen in het Turks

Jij was drie weken geleden boos op mij, weet je dat nog? vraag ik aan N.
Ja, zegt ze. Spreken is lastig voor haar.

Weet je nog waarom dat was?, vraag ik.
Ja, zegt ze.

N. wilde in het begin helemaal niet mee naar het Gedichtenatelier. Hoewel haar Nederlands prima is was ze bang dat er in het atelier geen of nauwelijks ruimte voor de Turkse taal zou zijn, en daar ging ze niet mee akkoord.  En natuurlijk had ze daarin gelijk – als er geen Turks gesproken zou kunnen worden op deze donderdagochtenden dan zouden we met elkaar geen relatie op kunnen bouwen, en zou er sowieso weinig of niets tot stand kunnen komen. Er zijn levensfases waarin de moedertaal meer dan voorheen weer dominant wordt.

Vraag eens aan buurvrouw, vriend of collega die met een andere moedertaal opgroeide  om zacht en in zichzelf een stapeltje munten te tellen, en vraag daarna in welke taal diegene dat deed: dat is bijna altijd de moedertaal. Oftewel: de taal van de vroege levensfase. Die getallen liggen samen met kinderliedjes, kinderversjes, beelden en nog veel meer  opgeslagen in lagen van ons herinnerde bestaan die we altijd met ons meedragen, en die soms & razendsnel tevoorschijn komen.

Die herinneringen zijn bij de bewoners in Turkuaz vooral in het Turks opgeslagen. En het is daarom dat het gedichtenatelier elke donderdagochtend begint met een gedicht. In het Turks, en daarna met een vertaling van dat gedicht in het Nederlands. De herinneringen en associaties van  bewoners bij dat openingsgedicht sturen  de ochtend. De ochtenden draaien om hun verhaal.

 

 

Ik wil het niet zien

Ik wil het niet zien, maar het moet is de titel van de traagste film die ik tot zover ooit zag. Hij gaat over het werk van de schilder Co Westerik en is geschoten op 35 mm film. Producent René Mendel van het Amsterdamse bedrijf Interakt stelde de vier dikke rollen film beschikbaar voor een poëzieproject met het Haagse Lyceum Ypenburg, en de operateurs van Filmhuis Lumen in Delft vonden het een feestje om weer eens een 35 mm film te mogen vertonen.

Ik wil het niet zien, maar het moet rekt de kijktijd voor schilderijen. Zeventien seconden is de gemiddelde kijkduur van een museumbezoeker. Reken er maar op dat de tijd van middelbare scholieren daaronder zit.

De leerlingen vonden het zwaar,  langdurig naar steeds weer nieuwe schilderijen te moeten kijken. Toch hoorde ik ze lachen, de adem inhouden, en op andere wijze reageren op wat er passeerde. En het is ook wel ongewoon dat er schilderijen passeren met namen als “Snijden aan gras”, en je ziet gras met een vinger die bloedt, en dan volgen er nog vijf schilderijen die daar op variëren.

Een van de leerlingen schaamde zich dat ze had durven lachen om schilderijen, en ze bood achteraf haar excuses daar voor aan. Dat ik werkelijk vond dat je om kunst óók mag lachen was een onverwacht perspectief voor haar.

Wat voor de leerlingen alles goed maakte was het verdere verloop van het project – film kijken, de straat op met een waarnemingsopdracht, en heel veel geschets in woorden. Na twee dagen bleken alle leerlingen verrassende gedichten te hebben staan. Beelden uit de schilderijen raakten vermengd met straatbeelden, herinneringen, verlangens, dromen, en alledaagse gedachten.

Waartoe dit leidde: daarover later meer. Voor mij is de les: het mag best, leerlingen enigszins ontregelen met de traagste film die ze misschien wel ooit zullen zien. Als het maar klopt in het totale programma.